STRAAT, Evert

STRAAT, Evert

De Goede Boodschap, 1968
Bosch & Keuning, Baarn

De Goede BoodschapDe Goede Boodschap volgens Markus, Matthijs, Lukas en Jan. Met deze titel bracht Evert Straat (1898-1972) in februari 1968 zijn vertaling van de Evangeliën uit. De Griekse brontekst benadert hij evenwel niet als theoloog, maar als filoloog. Hoewel sommigen hem bestempelden als een atheïst, zag Straat zichzelf als een agnosticus. Als zoon van een spoorwegarbeider zou hij een carrière uitbouwen in de advocatuur en is hij 8 jaar de hoofdredacteur van het geïllustreerde blad ‘Het Leven’ geweest. Als getalenteerd letterkundige vertaalde hij prestigieuze werken zoals Aeschylus en Shakespeare. Vanuit deze achtergrond raakte hij geïntrigeerd voor het Boek der Boeken, en geleidelijk groeide ook het verlangen naar een eigen vertaling. Niettemin was Straat zich ervan bewust dat zijn vertaalinitiatief deining zou veroorzaken in protestants Nederland. Zelfs na de eerste berichten dat hij werkte aan een nieuwe vertaling ontving hij allerlei brieven. In een gesprek met een journalist liet hij zich komisch ontvallen: “Als de vertaling verschijnt, duik ik een paar maanden onder”.

Met zijn vertaling zette Straat zich vooral af tegen de Statenvertaling die hij ontoegankelijkheid verweet. Hoewel hij het monumentale karakter van de Statenbijbel erkende, vond hij “van dat grandioze, renaissancistische en zelfs barokke taalgebruik vrijwel niets terug in het Grieks van de Evangeliën”. De Statenvertaling kwam hem ongeloofwaardig, moeilijk en te vaak onbegrijpelijk over. Met zijn vertaling wilde hij de schrijvers aan het woord laten zoals ze dat oorspronkelijk hebben gedaan, met woorden en uitdrukkingen die 2000 jaar geleden begrepen werden door eenvoudige mensen. Uitgangspunt is dan ook een heldere, Nederlandstalige tekst met duidelijke woorden en begrippen die een hedendaagse (weliswaar hoofdzakelijk Nederlandse) lezer aanspreekt, eenvoudige omgangstaal dus. Ter illustratie: de Statenvertaling gebruikt de uitdrukking: ‘zwijg stil’ (Mark. 1:25). Volgens Straat wordt de brontekst meer recht aangedaan met een uitdrukking zoals ‘hou je bek’. Het Griekse woord kan inderdaad gedefinieerd worden met ‘de mond dichtbinden met een muilkorf’. Maar ‘hou je bek’ is dan wel érg plat, zelfs vrij grof en beledigend voor een Vlaams publiek. Het is uiteindelijk geworden: ‘hou je mond’.

Het eerste wat in het oog springt is de weergave van Bijbelse namen: Petrus wordt Peter en Mattheüs: Matthijs. Straat geeft de voorkeur aan Jan in plaats van Johannes. Waarom Markus en Lukas niet Mark en Luk zijn geworden is mij een raadsel en mijn inziens dan ook inconsequent naar Straats eigen vertaalregel. Anderzijds wordt Straat door Prof. Dr. R. Schippers geprezen om zijn kleurrijk taalgevoel en trefzekere woordkeuzes. Zo vindt hij ‘alle Jeruzalemmers’ uit Markus 1:5 een goede vondst. Eveneens ‘hij barstte uit in tranen’ (Markus 14:72; zie ook NWV), en ‘elke dag heeft aan zijn eigen narigheid genoeg’ uit Mattheüs 6:34 (‘Trouw’, 15 februari 1968). Minder gelukkig is ondermeer de manier waarop de vertaling blijft tutoyeren. Volgens dr. C. Rijnsdorp gaat Straat hierin te ver, vooral wanneer hij als bezittelijk voornaamwoord altijd “jouw” gebruikt, zelfs wanneer geen nadruk nodig of gewenst is. In dergelijk geval zegt men rustig: “Breng je kinderen mee” en niet: “breng jouw kinderen mee”, alsof de aangesprokene van plan was andermans kinderen mee te brengen. Verder betreurt Rijnsdorp het overmatige gebruik van uitroeptekens. Enkel al in het ‘Onze Vader’-gebed meent Evert Straat er drie nodig te hebben!

Het oordeel van eigentijdse recensenten is vrij uiteenlopend. Sommige negatieve stemmen verweten het taalgebruik van de vertaler dat betiteld werd als te ‘familiair’, soms zelfs ‘vulgair’. Kritiek werd geuit door prof. dr. G. Quispel die van oordeel is dat ‘Straats vertaling onleesbaar is voor religieuze of taalgevoelige mensen en aanvaardbaar voor prozaïsche predikanten’. Schippers is echter lovend en spreekt zich dankbaar uit over dit ‘geweldig’ vertaalwerk en ziet hierin vooral een knipoog naar de toenemende buitenkerkelijke Nederlanders. Het Nederlands Bijbelgenootschap bestempelde de uitgave als een ‘zeer te waarderen poging om… de evangeliën te vertalen in populair Nederlands’ (‘De Wereld in’, Nederlands Bijbelgenootschap, september-1968).