Geschiedenis van de Nederlandse Bijbelvertaling in druk: 17e eeuw
BIBLIA (1625) S. Amama & H. Faukelius
Amama en Faukelius Aan het begin van de zeventiende eeuw kreeg de Deux‑Aesbijbel steeds meer kritiek van vooraanstaande theologen. Een van hen was Sixtinus Amama. Hij was een uitzonderlijk begaafd hoogleraar in de oosterse talen. In zijn eigen publicatie, Bijbelse Conferentie, wees Amama op tal van fouten en onnauwkeurigheden in de vertaling. Vooral het Oude Testament liet volgens hem te wensen over. Amama pleitte daarom voor een nieuwe en betrouwbaardere Bijbelvertaling. Hij bleef niet bij woorden alleen. In 1625 gaf hij zelf een grondig herzien en verbeterd Bijbeltekst uit. Voor het Nieuwe Testament gebruikte hij de vertaling van Herman Faukelius uit 1617.
Faukelius, afkomstig uit Brugge, was inmiddels al betrokken bij het vertaalwerk voor de Statenvertaling. Die voorbereidingen kwamen echter maar langzaam op gang en leken veel tijd te vergen. Na enige aarzeling besloot Amama daarom het initiatief in eigen handen te nemen.
Portret Philips van Marnix van Sint Aldegonde (1599)
Philips van Marnix van Sint-Aldegonde In 1586 werd Philips de Marnix van Sint-Aldegonde gevraagd om een nieuwe Nederlandse Bijbelvertaling te maken, rechtstreeks gebaseerd op de Bijbelse grondtalen. Dat verzoek wees hij toen nog af. Acht jaar later deden de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden opnieuw een beroep op hem. Ditmaal aanvaardde Marnix de opdracht. Dat hij ondertussen was uitgegroeid tot een bekwame en ervaren vertaler, blijkt onder meer uit zijn Psalmenvertaling van 1580. Sommige bronnen schrijven hem ook vertalingen van de Bijbelboeken Job en Spreuken toe, al zijn daarvan geen exemplaren bewaard gebleven.
Marnix kreeg uiteindelijk de opdracht om Genesis en Exodus te vertalen. In afwachting van een eerstvolgende kerkvergadering moest hij de Godsnaam voorlopig onvertaald laten en weergeven als ‘JEHOVAH’, een vocalisatie die hij ook had gebruikt in zijn herziene Psalmenvertaling van 1591. Door zijn overlijden in 1598 kwam het werk aan deze nieuwe Bijbelvertaling echter tot stilstand. Het vernieuwende pionierswerk van Marnix van Sint Aldegonde kreeg geen onmiddellijke voortzetting. Waarschijnlijk heeft hij slechts één Bijbelboek volledig kunnen afronden: Genesis.
Statenvertaling Pas in 1618 kwam het werk aan een nieuwe Bijbelvertaling opnieuw in een stroomversnelling. In dat jaar werd in Dordrecht, onder voorzitterschap van Johannes Bogerman, een kerkelijke synode gehouden. De kwestie van de Bijbelvertaling stond daarbij bovenaan de agenda. Voor zowel het Oude als het Nieuwe Testament werden telkens drie vertalers aangesteld, bijgestaan door verschillende revisoren. Opvallend is dat Sixtinus Amama, ondanks zijn uitzonderlijke reputatie als hebraïcus, niet tot vertaler werd benoemd. Er bestond twijfel over zijn rechtzinnigheid als gereformeerd theoloog, onder meer omdat zijn leermeester Johannes Drusius verdacht werd van ariaanse opvattingen. Toch maakten de Statenvertalers dankbaar gebruik van Amama’s taalkundige werken, waaronder Bybelsche Conferentie(1623) en De Hebreusche Grammatica ofte Taal‑konst (1627).
De uitgave van een nieuwe Bijbelvertaling was een ingrijpend en kostbaar project. Vooral de financiering vormde lange tijd een struikelblok. Pas in 1628, nadat deze moeilijkheden waren opgelost, kon het vertaalwerk daadwerkelijk worden voortgezet. De vertalers beseften daarbij dat zij ook rekening moesten houden met het volk, dat inmiddels sterk gehecht was geraakt aan de ‘oude Bijbel’. Daarom besloten zij de tekst van de Deux‑Aesbijbel waar mogelijk te handhaven. Tijdens de Dordtse synode werd ook uitvoerig gesproken over de weergave van de Godsnaam, het zogenoemde Tetragrammaton. Deze discussie leidde echter niet meteen tot overeenstemming. Eerder had Marnix van Sint Aldegonde een voorkeur uitgesproken voor ‘Jehovah’, terwijl hij elders ook termen als ‘Selfwezighe’ gebruikte.
Naast de Nederlandse traditie speelde ook de invloed van de Latijnse Bijbelvertaling van Immanuel Tremellius en Franciscus Junius een belangrijke rol. Tremellius, een tot het christendom bekeerde Italiaanse Jood, was een vooraanstaand hebraïst en hoogleraar aan de universiteit van Heidelberg. Hij lag aan de basis van de vertaling van het Oude Testament. Zijn werk, voorzien van uitvoerige kanttekeningen, genoot groot gezag onder gereformeerde ambtsdragers, predikanten en geleerden. Hoewel Tremellius goed vertrouwd was met de Joodse terughoudendheid ten aanzien van de Godsnaam, koos hij in zijn vertaling voor ‘Jehovah’. Op de Dordtse synode vond deze keuze vooral steun bij Franciscus Gomarus en Martinius van Bremen, aangezien het gebruik van ‘Jehovah’ in geleerde kringen gangbaar was. Uiteindelijk besloot men echter om de Godsnaam weer te geven als ‘HEERE’, in kapitale letters. Bij Genesis 2:4 werd wel een kanttekening toegevoegd, waarin werd uitgelegd dat dit de vertaling is van het oorspronkelijke ‘IEHOVAH’ of de verkorte vorm ‘IAH’, zoals in Hallelujah.
Als voorzitter van de synode liet Bogerman deze beslissing bewust aansluiten bij de vertaaltraditie van de Deux‑Aesbijbel. Het volk was daar immers aan gewend de Godsnaam als ‘Heere’ te lezen. Waarschijnlijk vreesde men dat een consequent gebruik van een gevocaliseerde vorm als ‘Jehovah’ een te grote breuk zou betekenen met de bestaande Bijbel. Voor het overige probeerden de vertalers uit eerbied voor het Bijbelwoord zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te blijven. Eén van hen merkte later op dat hij in zijn leven nooit zo intensief had moeten ‘blokken’ als tijdens deze periode. Men maakte dan ook gebruik van de beste beschikbare handschriften en Bijbelvertalingen.
Statenbijbel (1636-37) Eerste druk
In 1637 verscheen in Leiden de eerste druk van de Statenbijbel. Op 17 september werd een eerste exemplaar, gebonden in paars fluweel en met goud op snee, aangeboden aan de Staten‑Generaal. De nieuwe vertaling werd vrijwel onmiddellijk als een grote verbetering erkend. De Deux‑Aesbijbel werd na 1637 zelfs niet meer herdrukt. In de loop van de tijd verwierven vooral de Statenbijbels die door de familie Keur werden gedrukt grote bekendheid. Volgens de overlevering zou een Keurbijbel uit 1686 zijn gebruikt bij de plechtigheid waarbij Franklin D. Roosevelt de eed aflegde als president van de Verenigde Staten. Daarbij rustte zijn hand op 1 Korintiërs 13, waar Paulus zijn beroemde lofzang op de christelijke liefde verwoordt. De Statenvertaling bleef tot ver in de twintigste eeuw in gebruik bij de meeste protestantse kerken in Nederland.
Portret Adolf Visscher
Lutherse vertaling Bij de verschijning van de Statenbijbel bleef de Nederlands‑Lutherse Gemeente echter trouw aan de Biestkensbijbel. Enkele jaren later, in 1644, werd een commissie van negen mannen aangesteld om te werken aan een nieuwe Nederlandstalige Lutherbijbel. De leiding van dit project lijkt in handen te hebben gelegen van Adolf Visscher. In 1648 werd het resultaat van hun arbeid voorgelegd aan de kerkeraad, met het oog op definitieve afspraken over de uitgave. Nog in datzelfde jaar verscheen de nieuwe Bijbel in druk. Deze uitgave zou bekend worden als de Lutherbijbel. Het ging hierbij echter niet om een geheel nieuwe vertaling vanuit de Bijbelse grondtalen. Als uitgangspunt diende de Biestkensbijbel, die werd herzien en aangepast aan de hand van een toen recente Duitse Lutherbijbel. De nieuwe uitgave sloot zo aan bij de bestaande Nederlandse Lutherse traditie, terwijl zij tegelijk aansluiting zocht bij de meest actuele Lutherse tekstbasis van dat moment.
Lutherse vertaling (1648) Eerste druk
Zelfs de invloed van de Statenbijbel, die zo nu en dan lijkt te zijn geraadpleegd, is in deze uitgave merkbaar. Op de titelprent van de eerste druk uit 1648 staat boven het portret van Maarten Luther een zwaan afgebeeld. Volgens de overlevering verwijst dit symbool naar een uitspraak die Johannes Hus op de brandstapel zou hebben gedaan: “Jullie braden nu een gans” — waarbij hij zinspeelde op zijn naam, die ‘gans’ betekent — “maar later zal er een zwaan komen; naar hem zullen jullie luisteren.” Luther heeft deze profetische woorden steeds op zichzelf betrokken.
Van deze eerste uitgave zouden vandaag nog ongeveer dertig exemplaren bekend zijn. Die veronderstelling, afkomstig van wijlen Wilco C. Poortman en overgeleverd in Bijbel en Prent, lijkt echter weinig betrouwbaar en wordt in recente studies vaker in twijfel getrokken. – Wilco C. Poortman; Bijbel en Prent, Deel I, p. 137.
Deze website maakt gebruik van cookies om uw ervaring te verbeteren. We gaan ervan uit dat je hiermee akkoord gaat, maar je kunt je afmelden als je dat wilt.AkkoordLees meer
Privacy & Cookies Beleid
Privacy Overview
This website uses cookies to improve your experience while you navigate through the website. Out of these, the cookies that are categorized as necessary are stored on your browser as they are essential for the working of basic functionalities of the website. We also use third-party cookies that help us analyze and understand how you use this website. These cookies will be stored in your browser only with your consent. You also have the option to opt-out of these cookies. But opting out of some of these cookies may affect your browsing experience.
Necessary cookies are absolutely essential for the website to function properly. This category only includes cookies that ensures basic functionalities and security features of the website. These cookies do not store any personal information.
Any cookies that may not be particularly necessary for the website to function and is used specifically to collect user personal data via analytics, ads, other embedded contents are termed as non-necessary cookies. It is mandatory to procure user consent prior to running these cookies on your website.