Home
Nieuws
Geschiedenis
Biografieën
Godsnaam
Godsnaam in Bijbels
Zoeklijst
Aanbod
Bronnenlijst

Copyright ©2007-2014 MCBiblia.
Alle rechten voorbehouden.
laatste wijziging
op 12 maart 2014

Valid XHTML 1.0 StrictValid CSS!



Geschiedenis van de Nederlandse Bijbelvertaling in druk

15e eeuw 16e eeuw 17e eeuw 18e eeuw 19e eeuw 20e eeuw 21e eeuw

In de vroege 17e eeuw brachten sommige vooraanstaande theologen hun ontevredenheid over deze Bijbel tot uiting. Eén van hen was Sixtinus Amama. Als buitengewoon getalenteerde hoogleraar in de oosterse talen, wees hij in een eigen publicatie 'Bijbelse Conferentie' op de talrijke fouten en onnauwkeurigheden van de Bijbel van 'Deuxaes'. Vooral de vertaling van het Oude Testament stuitte op heel wat kritiek. Amama wees dan ook op de dringende nood aan een betere Bijbelvertaling. Hij gaf zelf het voorbeeld door in 1625 een grondig herziene en verbeterde tekst uit te geven. Voor het Nieuwe Testament koos hij de vertaling van Herman Faukelius (figuur) uit 1617. Intussen was de uit Brugge afkomstige Faukelius reeds aangetrokken als vertaler van het Nieuwe Testament voor de Statenvertaling. Maar omdat de voorbereidingen daarvoor vrij moeizaam op gang kwamen en langdurig leken te worden, ging Amama, na enige aarzeling, over tot een eigen initiatief (figuur).

Reeds in 1586 werd Philips de Marnix van Sint Aldegonde aangezocht voor een bewerking van een Nederlandse Bijbelvertaling uit de grondtalen, waarvoor hij bedankte. Een zelfde verzoek van de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden volgde in 1594, waarop hij wél positief reageerde. Zijn uitzonderlijke bekwaamheid als vertaler kwam reeds aan het licht toen hij in 1580 zijn Psalmen-vertaling uitbracht. Sommige bronnen vernoemen ook Bijbelboeken als Job en Spreuken die door hem vertaald zijn geworden. Helaas is daar geen enkel exemplaar meer van bekend. Nu ontving Marnix de opdracht Genesis en Exodus te vertalen. In afwachting van de eerstvolgende kerkvergadering moest hij voorlopig de Goddelijke naam onvertaald laten en met 'JEHOVAH' weergeven - de vocalisatie die hij destijds ook in zijn herziene Psalmen-vertaling uit 1591 gebruikt had (figuur). Na Genesis voltooid te hebben, stierf Philips de Marnix in 1598. Daardoor stagneerden de voorbereidingswerken aan de 'nieuwe Bijbelvertaling'.

Pas in 1618 kwam het werk terug in een stroomversnelling. Voorgezeten door Johannes Bogerman werd in dat jaar te Dordrecht een kerkelijke synode gehouden (figuur). Als eerste punt op de agenda stond de aangelegenheid rond de Bijbelvertaling. Voor zowel het oude als het Nieuwe Testament werden 3 vertalers aangesteld en verscheidene revisoren. Sixtinus Amama werd, ondanks zijn uitzonderlijke kwaliteiten als Hebraïcus, niet gekozen. Aangezien Amama's leraar Drusius verdacht werd van Arianisme, twijfelde men aan zijn rechtzinnigheid als gereformeerd theoloog. De vervaardiging van een nieuwe Bijbelvertaling was een ambitieuze onderneming. De financiële ondersteuning bleek een probleem op te leveren dat lange tijd bleef aanslepen. Pas in 1628, toen dit obstakel volledig opgeruimd was, werden er effectieve vorderingen gemaakt. De vertalers begrepen ook rekening te moeten houden met het volk, dat intussen aanzienlijk gehecht was aan de 'oude Bijbel' van Deuxaes. Dat leidde tot het besluit dat de vertaling van de Deuxaesbijbel in de tekst bewaard zou blijven waar het mogelijk was. De Dordtse synode boog zich ook over de vertaling van Gods naam - het 'Tetragrammaton' en de polemiek daarover leidde niet onmiddellijk tot een consensus. Destijds had Marnix in zijn vertaling 'Jehovah' als weergave verkozen en elders gebruikte hij wel eens de vertaling 'Selfwezighe'. Op basis van een aantal theologisch-wetenschappelijke werken, werd er op de synode een levendige discussie gevoerd over het te volgen vertaalbeleid. De Latijnse vertaling van het Oude Testament door de bekeerde Italiaanse jood I. Tremellius, die bij gereformeerde geleerden groot aanzien genoot, gaf de voorkeur aan 'Jehovah' (figuur). Tremellius' vertaling was bijzonder populair en werd op theologisch niveau veelvuldig geraadpleegd. In geleerde kringen was het gebruik van de Goddelijke naam 'Jehovah' eerder regel dan uitzondering. Op de Dordtse synode bleek vooral Franciscus Gomarus een voorstander te zijn van het onvertaalde 'Jehovah'. Toch werd voor de nieuwe Bijbel uiteindelijk de beslissing genomen Gods naam met 'HEERE' in kapitale letters weer te geven. Bij Genesis 2:4 werd wel een kanttekening geplaatst, die toelichtte dat dit de vertaling is van het oorspronkelijke 'JEHOVAH of korter JAH' (zoals 'HalleluJAH') (figuur). Bogerman liet als voorzitter van de synode de beslissing doorwegen naar de vertaaltraditie van de Deuxaesbijbel. Daarin was het volk gewend de Godsnaam te lezen als 'Heere'. Mogelijk werd een consequent gebruik van een gevocaliseerd Tetragrammaton zoals 'Jehovah' beschouwd als een onherstelbare breuk met de voorgaande Bijbel. Voor de rest, hielden de vertalers zich uit eerbied voor het Bijbelwoord zo dicht mogelijk aan de oorspronkelijke tekst. Eén van de vertalers gaf later te kennen in zijn leven nog nooit zo te hebben 'geblokt' als in die periode! Bij het vertaalwerk werd dan ook gebruik gemaakt van de beste Bijbelhandschriften en -vertalingen waar men de hand op kon leggen.

In 1637 verscheen te Leiden de eerste druk van de Statenbijbel. Op 17 september werd het eerste exemplaar, in paars fluweel gebonden met goud op snee, aan de Heren Staten-Generaal aangeboden. Hij werd vrijwel onmiddellijk een succes en als betere vertaling erkend. De Deuxaesbijbel werd na 1637 zelfs nooit meer herdrukt! Na verloop van tijd zouden de Statenbijbels, gedrukt door de familie Keur, grote bekendheid krijgen. Naar verluidt, werd een Keurbijbel uit 1686 tijdens de plechtigheid gebruikt toen Franklin D. Roosevelt de eed aflegde als president van de Verenigde Staten. Roosevelt liet zijn hand rusten op 1 Korinthiërs 13, waar Paulus zijn befaamde beschrijving van de christelijke liefde geeft.

De Nederlands-Lutherse Gemeente bleef bij de verschijning van de Statenbijbel echter trouw aan de Biestkensbijbel. Een beetje later, in 1644, werden negen mannen belast met het bewerken van een nieuwe Nederlandstalige Luthertekst waarvan Adolf Visscher de leiding leek te hebben. In 1648 werd het product van hun werk aangeboden aan de kerkraad om definitieve afspraken te maken omtrent de uitgave. In datzelfde jaar nog werd dit werk in een eerste druk ter beschikking gesteld en zou het bekend komen te staan als de Lutherbijbel (figuur). De overzetting vertegenwoordigde echter geen nieuwe vertaling uit de grondtekst. Men was uitgegaan van de Biestkensbijbel als basistekst, die herzien werd naar een recente, Duitse Lutherbijbel. Zelfs de invloed van de Statenbijbel, die men nu en dan geraadpleegd schijnt te hebben, is merkbaar. Op de titelprent van de eerste uitgave uit 1648 is boven het portret van Maarten Luther een afbeelding van een zwaan te zien. Volgens de overlevering verwijst dit naar een uitspraak die Johannes Hus op de brandstapel had gedaan: "Jullie braden nu een gans ('Hus' betekent gans), maar straks komt er een zwaan, daar zullen jullie naar luisteren!". Luther heeft deze uitspraak steeds op zichzelf toegepast. Er zouden nog een dertigtal exemplaren van deze uitgave bekend zijn. Maar deze veronderstelling van wijlen Wilco C. Poortman uit Bijbel en Prent, lijkt me twijfelachtig (zie Bijbel en Prent I, blz. 137).