Willibrordvertaling

DE BIJBEL
Willibrordvertaling

Katholieke Bijbelstichting, Boxtel
1975, 1995

De Willibrordvertaling is de officiële Bijbelvertaling van de Rooms-Katholieke kerk in Nederland en Vlaanderen en kent een lange en complexe ontstaansgeschiedenis. In 1961 gaf de Katholieke Bijbelstichting (KBS), direct na zijn ontstaan een vertaling van het Nieuwe Testament uit, gemaakt door het Nederlandse werkgenootschap Sint Hiëronymus. Er moest ook een vertaling van het Oude Testament komen. Die drang werd ingegeven door onvrede over de aantekeningen en inleidingen van de voorloper, de Canisiusvertaling (1939). Daarnaast moest de taal aangepast en gemoderniseerd worden. In tegenstelling tot de Canisiusvertaling is bij het vervaardigen van de Willibrordvertaling wél gebruik gemaakt van de moderne Bijbelwetenschap.

Het Oude Testament verscheen in 5 delen van 1966 tot 1974. In 1975 verscheen een complete Bijbel onder de naam Willibrordvertaling waarvan het Oude Testament in 1966 alweer was herzien. De Willibrordvertaling is vernoemd naar Clemens Willibrord: een Engelse katholieke aartsbisschop die rond 658 werd geboren. Zijn kersteningsmissie bracht hem in Nederland, waardoor hij ook wel de ‘apostel van de Lage Landen’ wordt genoemd. Omdat er een groot aantal commissies, met exegeten en neerlandici, aan de vertaling heeft gewerkt is het resultaat minder consistent dan werd gehoopt. Het heeft het vertaalproces wel versneld.

De Psalmen vormen een verhaal apart. In de eerste complete uitgave was de vertaling van de Psalmen van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde opgenomen. Gerhardt (1905-1997) was een productieve dichteres. In 1964 rondde ze haar studie Hebreeuws cum laude af. In Ierland startte ze in 1966 in de rust van een vakantiehuis, samen met haar vriendin en neerlandica Van der Zeyde (1906-1990) de vertaling van de Psalmen. In 1972 verscheen het eindresultaat. De vertaalsters wilden geen ‘eigentijdse’ vertaling. Ook voor toen, in de tijdgeest van 1972, is geen moderne taal gebruikt. Een voorbeeld van verouderd en gedateerd taalgebruik is te vinden in Psalm 1:2: ‘Gelukkig is de man … die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit’. En in Psalm 110 wordt het woord ‘voetschabel’ gebruikt. Jongere lezers zullen niet begrijpen dat hier een ‘voetenbank’ wordt bedoeld. De schrijfstijl is gedragen, statig en eerbiedig. Een representatief voorbeeld is Psalm 107:1: ‘Looft de Heer, goedertieren is hij: tot in eeuwigheid blijft zijn genade!’ In het oorspronkelijke voorwoord wordt verklaard dat het Tetragrammaton ‘JHWH’ vertaald wordt door ‘de Heer’. Op sommige plaatsen is toch gekozen voor de vorm ‘Jahweh’, bijvoorbeeld 8 keer in de 13 verzen van Psalm 30 en in de toegevoegde titels bóven de opschriften van onder anderen Psalm 68, 110 en 144.

Recensenten van de Willibrordvertaling hadden veel moeite met de, qua stijl sterk afwijkende Psalmen van Gerhardt en Van der Zeyde. Om de vertaling een homogeen karakter te geven gaf de KBS de opdracht een begrijpelijke en gemakkelijk leesbare vertaling van de Psalmen te maken. Het resultaat dat in 1982 verscheen als de ‘KBS-vertaling’ is toch niet door de kerk omarmd. De vertaling van A. Bronkhorst die in 1969 door de KBS werd uitgegeven wel. De Evangeliën en Handelingen werden in 1987 geheel herzien. De aanleiding daartoe was het aanzienlijke karakterverschil tussen deze Bijbelboeken enerzijds en de brieven en de Openbaring anderzijds. Omdat de laatstgenoemden al een actueler taalgebruik hadden is met de herziening van 1987 uiteindelijk een homogeen Nieuw Testament tot stand gekomen.

In 1995 verscheen een geheel herziene totaaluitgave (WB’95), waarvan de Psalmen, de evangeliën en Handelingen geheel opnieuw vertaald zijn. In de verantwoording lezen we dat ‘verschillen in parallelle teksten zoveel mogelijk zijn weggewerkt’ en: “De aanspreekvorm ‘gij’ – in het Oude Testament – is vervallen en het veelvuldig tutoyeren in het Nieuwe Testament is beperkt”. De tekst is moderner en compacter. Een opvallend kenmerk van het Nieuwe Testament is het cursiveren van citaten uit het Oude Testament. In de aanbeveling staat dat ‘het gaat om een overwegend lichte herziening en niet om een gehele nieuwe vertaling’. Hebraïcus Dr. H. Sysling zegt echter dat we ‘wat het oude testament betreft, niet spreken van een lichte herziening maar van een grondige restauratie’. Dat laatste geldt overigens meer voor het Oude Testament. Sysling: “Hij is nu meer homogeen, hij is goed voorleesbaar en toegankelijker door de zakelijke noten en door de goede inleidingen. De revisors zijn er vaak in geslaagd de tekst dichter bij de grondtekst te brengen”.

In de weergave van de Godsnaam bevat de herziene Willibrordvertaling een opmerkelijke verandering. De oorspronkelijke 1975-uitgave las ‘Jahwe’ en volgde hierin de Canisiusvertaling. Niettemin werd in de Wenken voor de lezer de wens uitgesproken om in de liturgie ‘Jahwe’ te vervangen door ‘(de) Heer’. Vanaf 1995 werd ‘Jahwe’ geschrapt en lezen we in de Bijbeltekst ‘HEER’ of ‘GOD’. Vanwaar deze koerswijziging? Sinds de naoorlogse periode is er binnen de katholieke kerk een beweging op gang gekomen om de dialoog met de Joodse gemeenschap – zij het geleidelijk – op een hoger niveau te brengen. Zo beijvert de vereniging ‘Katholieke Raad voor Kerk en Jodendom’ (KRI) zich voor een heroriëntering op de joodse traditie binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Eén van haar doelstellingen is terughoudendheid te bevorderen in het gebruik van Gods naam in de liturgie en Bijbelvertalingen. Bij lezing van Bijbelse teksten schrijft de joodse traditie voor dat het Hebreeuwse Tetragrammaton (JHWH) automatisch vervangen wordt door adonai (Heer). [1] Deze gedragslijn kleurt vandaag het officiële standpunt van de Rooms-Katholieke Kerk en wordt bevordert door in WB’95 de Godsnaam met de titels ‘HEER’ of ‘GOD’ weer te geven. [2]

Dit gewijzigd standpunt kon in de academische wereld lang niet bij iedereen op steun rekenen. In een reactie stelde prof. dr. Johan Lust dat de joodse restrictie in het gebruik van de Godsnaam berust op een foutieve interpretatie van de Tien Geboden. In de onmiddellijke context van de decaloog maakt God zelf een statement dat hij wel degelijk met Zijn naam aangesproken wil worden en dat ‘door alle generaties heen’ (Exodus 3:15, WB’95). Met andere woorden, de joodse traditie mist in dit standpunt Bijbelse fundering. Daarenboven doet de vervanging met de titel ‘Heer’ de rijke betekenis van Gods naam flink aan inhoud inleveren. Over de betekenis van Gods naam in Exodus 3:14: ‘Ik ben die er is’ (WB’95) zegt Lust: ‘deze verklaring past uitstekend bij de naam ‘Jahwe’, maar niet bij de titel ‘Heer’’. Lust concludeert dat ‘het hoogst wenselijk is dat men de naam ‘Jahweh’ kent en erkent’ (V.B.S.-informatie; Ledenblad van de Vlaamse Bijbelstichting. 1989 nr. 4, 15 dec.: ‘Over de godsnaam Jahweh’, p. 75-83).

Een chronologisch overzicht van de ontstaansgeschiedenis van de Willibrordvertaling:

  • 1961 – Het Nieuwe Testament van onze Heer Jesus Christus; KBS; werkgenootschap Sint Hiëronymus.
  • 1966 – Nieuwe Testament herzien
  • 1966 – Oude Testament – deel 1
  • 1968 – Oude Testament – deel 2
  • 1970 – Oude Testament – deel 3
  • 1972 – Oude Testament – deel 5
  • 1973 – Oude Testament – deel 4
  • 1975 – Willibrordvertaling; complete editie
  • 1978 – Deze versie (3e druk) is de officiële kerkbijbel
  • 1982 – Psalmen; KBS-vertaling
  • 1987 – Herziening Evangeliën en Handelingen van de Apostelen
  • 1992 – Herziening Nieuwe Testament
  • 1995 – Geheel herziene uitgave
  • 2012 – Beperkte aanpassingen (nieuwe spelling 2005 en dwarsverwijzingen)

[1] De vertalers van de Canisiusvertaling vonden vervangingen zoals ‘Heer’ onacceptabel aangezien dit een rabbijns en geen oudtestamentisch gebruik is (wij cursiveren).

[2] Over het al dan niet gebruik, en de weergave van Gods naam in een Bijbelvertaling, zie rubriek Godsnaam.