VAN VLOTEN, Willem Anthony

VAN VLOTEN, Willem Anthony

De Bijbel, 1789-1796
Van Paddenburg – Utrecht / J. Allart – Amsterdam

Willem Van VlotenWillem Anthony Van Vloten werd in 1740 in Utrecht geboren. Op school kreeg men weinig vat op hem, aangezien hij een stugge, eigenzinnige jongen bleek te zijn. Pas wanneer een privéleraar hem onder de vleugels nam, werden zijn studies in rechte banen geleid en werd hij klaargestoomd voor de academie in zijn geboortestad. Hier wordt hij vooral geboeid door uitlegkunde, taalkennis en joodse oudheden en die interesses effenden het pad tot het ambt van predikant. Op 27-jarige leeftijd werd Van Vloten gereformeerd predikant in Waddinxveen. Al snel bleek hij hinder te ondervinden van zijn bijziendheid en preken uit het hoofd leren was aan hem niet besteed. Later werd hij ernstig ziek en zag zich genoodzaakt de kansel op te geven. In 1770 werd Van Vloten emeritus wegens gezondheidsredenen. Ambteloos vertrok hij van Utrecht naar Gouda waar hij in nauwe schoentjes komt te staan door zijn politieke voorkeur die hij in geschriften uitdraagt. De beroeringen dwingen hem te verhuizen en hij trekt naar Leiden waar hij aan een lijvige Bijbelvertaling met parafrase werkt. Wanneer kerkelijke goedkeuring door de Leidse faculteit wordt afgeremd, stapt hij over tot de doopgezinde kerk en vestigt zich in Amsterdam. Hier schreef hij nog een aantal Bijbelverklarende boeken waarna hij op 69-jarige leeftijd overleed.

De Bijbel - Van VlotenAangespoord door zijn vriend Albert Schultens werkte hij aan een nieuwe vertaling van de Bijbel, hoewel hij aan de Statenvertaling groot gezag toeschreef. Hij trachtte de toegankelijkheid van de Bijbel te vergroten door naast de eigenlijke vertaling een parafrasetekst te plaatsen. Van Vloten lijkt er zich bewust van geweest te zijn dat het theologische klimaat nog niet rijp was voor een dergelijke benadering van de Bijbeltekst. In de inleiding van het eerste deel schrijft hij: ‘Want ik koom met eene wijze van verklaaring terbaane die, voor Nederland, eene halve eeuw te vroeg komt, om algemeene goedkeuring wech te draagen.’ Opvallend is ook het gebruik van Gods naam in de vorm van ‘Jehovah’ dat hij eveneens toepast in het Nieuwe Testament. Daar waar de schrijvers uitspraken met de Goddelijke naam uit het Oude Testament citeren, blijft de weergave ‘Jehovah’ behouden.

De Vaderlandsche Bibliotheek maakt gewag van een ‘voortreffelijk Bijbelwerk, hetwelk wij het eerste proefstuk van onbevooroordeelde Schriftverklaringen ons Vaderland mogen noemen.’ De vertaalarbeid van Van Vloten ontving een vrij gunstige kritiek.