Th. BEELEN

Th. BEELEN / J. COORNAERT / J. CORLUY / E. DIGNANT / PL. HAGHEBAERT / G. VANDEPUTTE.

Het Oude Testament, 1896-97

OT BeelenHet Oud Testament in ’t Vlaams vertaald en uitgeleid’ is de titel van een vertaling waaraan opnieuw de naam van Beelen verbonden is. Zijn vertaling van de Psalmen en de ‘libri Sapientiales’ die eerder al uitgegeven waren in 1878-83, werden er in opgenomen. Het Nieuwe Testament van Beelen (1860-66) werd hier in een herdruk aan toegevoegd. De reeks, die in totaal uit 9 delen bestaat, presenteert een Latijnse en Nederlandse Bijbeltekst met uitgebreide kanttekeningen.

Hoewel de uitgevers een afzetgebied zagen in heel katholiek Nederland en Vlaanderen, bleef de verspreiding hoofdzakelijk beperkt tot de geestelijkheid. Buiten talloze ‘Latijnse’ commentaren die voor leken ontoegankelijk waren, kon Nederland geen genoegen nemen met het taalkundig aspect. Het Vlaams, dat zelfs in verschillende dialecten geboden wordt, hindert de verspreiding in het katholieke noorden (Beelen en Corluy leverden in taalkundig opzicht het beste werk af). De Nederlanders, die ook niet naar hun verwachting betrokken werden bij dit werk, gingen uiteindelijk over tot een eigen initiatief.

Als toelichting bij Exodus 3:14 ‘De Heer’ zegt het commentaar : “In ’t hebr.: Jehôvâh. Hier hebben wij den gebruikelijken vorm (wij cursiveren) van Gods eigennaam, dien de Joden den naam bij uitstek heetten,… den vierletterigen naam (jhvh); Ongetwijfeld zullen Moyses en de godvruchtige Joden dien naam oudtijds somwijlen gebruikt hebben. Maar na de gevangenschap van Babylonië was het verboden hem uit te spreken; … telkens dat men hem tegenkwam, las men… Adônâi, Heer… en zijne ware uitsprake later een raadsel geworden is. Geheel waarschijnlijk nogtans moet men uitspreken Jahweh, of Jahâweh = die is, het wezen.” Toch wordt in alle voetnoten waarin een vocalisatie van de Goddelijke naam toegepast wordt de vorm ‘Jehovah’ gekozen (zie bij Exodus 6:3; Jozua 29:6; Jesaja 41:2, 4, 21, 25; 42:1, 5, 8, 14, enz.) Ook in commentaren bij het Nieuwe Testament wordt de Goddelijke naam verwerkt, zoals bij Mattheüs 3:3. Als verklaring bij Mattheüs 22:43 staat: “De Schriftuurplaats door Jezus hier aangehaald, is getrokken uit Psalm CIX : I … David spreekt daarin van den Messias, hem noemende zijnen Heer, als hij zegt: De Heer (Jehovah) heeft tot mijnen Heer gezegd.”