Leidse vertaling

DE BYBEL, naar de Leidsche vertaling

E.J. Brill, Leiden
1899-1912

Het succes van de Leidse Vertaling is gedeeltelijk voortgevloeid uit het gebrek aan succes van de Synodale Vertaling. Nadat het Nieuwe Testament van de laatstgenoemde klaar was, werd in 1873 besloten de vertaling van het Oude Testament niet door te laten gaan. De Rotterdamse remonstrantse predikant I. Hooykaas nam het persoonlijke initiatief om het Oude Testament toch te vertalen. Hij verwierf fondsen op een manier die we tegenwoordig ‘crowdfunding’ noemen.

De aanleiding tot het maken van de Leidse Vertaling was kritiek op de gedateerde Statenvertaling. Daarnaast waren de vertalers vrijzinnig en hun ideeën maakten dat ze gerekend werden tot de ‘modernen’. Het vertaalwerk startte in 1885 en stond onder leiding van A. Kuenen, hoogleraar Godgeleerdheid en Bijbelwetenschap – Nieuwe Testament in Leiden. Hij werd geassisteerd door I. Hooykaas, W.H. Kosters en H. Oort. In 1899 verscheen deel 1, (de boeken Genesis – Esther) met de titel: ‘Het Oude Testament opnieuw uit den grondtekst overgezet en van inleidingen en aantekeningen voorzien door Dr. A. Kuenen, Dr. I. Hooykaas, Dr. W. H. Kosters en Dr. H. Oort’. Deel 2 zag het daglicht in 1901 en bevatte de boeken Job – Maleachi. Na het voltooien van het Oude Testament vond Oort geen geschikte medewerkers voor het vertalen van het Nieuwe Testament. Daarom klaarde hij de klus alleen. In 1912 verscheen dus deel 3, net als de andere delen in een prachtige band met reliëfdruk en gouden letters. Oort schreef voor alle delen het voorwoord. Daarin verklaart hij de fraaie illustraties vol symbolen op het voor- en achterplat en op de rug. Hij besluit de voorrede in het nieuwe testament met: “Moge dit werk aan veler geestelijk leven bevorderlijk zijn”.

Omdat de vertalers in Leiden hadden gestudeerd en een deel van de vertaling voor het eerst werd uitgegeven in Leiden, bij Boekhandel en drukkerij voorheen E. J. Brill, lag de latere naam Leidse Vertaling voor de hand.

De Leidse Vertaling is tot stand gekomen volgens de inzichten van de kritische Bijbelwetenschap. De taal is helder en begrijpelijk. Hij wordt gekenmerkt door een modern karakter. De vertalers zetten zich duidelijk af tegen de Statenvertaling en hun werk was voor het eerst sinds de 17e eeuw ronduit vernieuwend. De vertaling is alleen door de vrijzinnige Nederlandse Protestantenbond als kerkbijbel gebruikt en het is dan ook logisch dat rechtzinnigen en katholieken hem links lieten liggen. Ieder Bijbelboek wordt voorafgegaan door een forse inleiding. Ook afzonderlijke delen van de boeken worden ingeleid. De aantekeningen nemen gemiddeld iedere halve pagina in beslag. Ze bevatten verklaringen, verwijzingen naar andere Bijbelgedeelten en letterlijk vertaalde weergaven van de grondtekst. Samen met de vernieuwende benadering van de tekst verwierf de Leidse Vertaling zich daardoor een gerespecteerde positie in het landschap van de bijbelvertalingen.

Van de eerste uitgave kwamen verschillende uitvoeringen beschikbaar. De meest voorkomende 3-delige uitgaven zijn gebonden in groen linnen boekbanden. Maar er verscheen ook een duurdere luxe-uitvoering in volleren boekbanden en goudopdruk. Kort daarop werden ook kwarto-, en handzame octavo-uitgaven in één boekband uitgegeven. Enkel van het Nieuwe Testament verscheen een bibliofiele uitgave, gedrukt op stevig Hollands papier (zie foto links). Deze werd gesigneerd door H. Oort in een oplage van slechts 15 genummerde exemplaren.

De godsnaam is in de Leidse Vertaling consequent weergegeven met ‘Jahwe’ en had daarmee in een vertaling van een complete Bijbeltekst de Nederlandse primeur (zie ‘Godsnaam in Bijbel’ > 19de eeuw). In 1914 verscheen ‘De Bijbel, naar de Leidse Vertaling’. Vanaf die uitgave is de titel Leidse Vertaling ingeburgerd. Rond 1942 is afgestapt van de weergave ‘Jahwe’ en werd gekozen voor ‘de Heer’.

Nieuwsbrief

Tetragrammaton

Pap Nash JHWH